We zijn met de auto onderweg naar Nederland en staan geparkeerd op de kade in de haven van Oslo. Voor ons ligt de Color Magic, ’s werelds grootste cruiseschip met parkeerdek, die om 14:00 koers zal zetten naar Kiel. In de verte klinken de geluiden van de stad en overal krijsen er meeuwen.
Zoals gewoonlijk zijn we ruim op tijd. Het duurt nog twee uur voordat we de boot op mogen rijden. Mijn vrouw zit naast me te lezen; ik besluit de tijd te besteden aan mijn favoriete bezigheid: mensen kijken en raden waar ze vandaan komen. Het is warm, de zon staat hoog aan de hemel en ik verheug me op een ijskoud biertje op het zonnedek.
Naast onze auto staat een verliefd stel al minutenlang te zoenen. Hij heeft zijn handen op haar heupen, haar armen bungelen losjes over zijn schouders. ‘Vast Duitsers,” zeg ik tegen mijn vrouw, “die zijn altijd vrijer in hun liefdesuitingen.” Ze kijkt niet op van haar boek en reageert niet.
Voor ons staat een kleine Toyota met een Nederlands kenteken en een fietsendrager achterop. Een man en een vrouw stappen synchroon uit en lopen naar hun fietsen. Ze gaan toch nu niet een stuk fietsen?
Ze ogen allesbehalve als typische vakantiegangers. De man draagt een grijze pantalon, witte blouse en bruine lakschoenen. Ook zij is gekleed alsof ze naar een galadiner gaat.
Wat volgt is een staaltje van perfect teamwork. Clipjes en riempjes worden routineus losgemaakt. Alleen de mouw van haar blouse blijft een paar keer haken achter het stuur. Hij tilt de fietsen van de drager en zij haalt twee fietsaccu’s vanonder de voorstoelen vandaan en klikt ze vlot op de fietsen.
De parkeerplaats raakt steeds voller. Wanneer ze opstappen roept de man naar me: ‘I hope we can get back to the car!’
Ik lach hem vriendelijk toe en steek een duim op.
Ze slingeren tussen de krap geparkeerde auto’s door, richting het centrum van Oslo.
‘Je zult zien dat ze niet op tijd terug zijn, en dan kunnen wij de boot niet op,’ mopper ik.
De zon verdwijnt achter een wolk. Het koelt iets af. Op het achterdek van de boot wappert de Noorse vlag in een zachte bries. Boven, op het zonnedek zie ik de eerste reizigers met een drankje aan de reling staan.
Schuin voor ons staat een groep oudere mannen onder de achterklep van een roestig Volkswagen-busje. Duitsers, zonder twijfel -op weg naar huis na een visvakantie. De geur van sigarettenrook dringt door het open raam de auto binnen. Een van hen houdt in zijn ene hand een sigaret en een blikje Bitburger en in de andere een telefoon. Hij draagt een zwart boeren petje en op zijn fleecetrui zijn Noorse vlaggetjes genaaid. Ik hoor flarden Duits.
Een andere man snijdt een plastic zak open met daarin twee vacuümverpakte gehaktballen. Hij vouwt zorgvuldig een pakketje aluminiumfolie open: de broodjes. De gehaktballen gaan ertussen. Geen blaadje sla te bekennen. Ik krijg honger.
Het wordt heet in de auto en ik besluit een ommetje te maken. De parkeerplaats is inmiddels volgelopen. De eerste vrachtwagens rijden de boot op. Ik loop terug naar de auto.
De tortelduifjes zitten in hun auto. De Duitsers in hun busje. Alleen de Nederlanders met de fietsen zijn nog niet terug.
‘Zie je wel, te laat,’ zeg ik.
Mijn vrouw klapt haar boek dicht. ‘Dat biertje wacht heus wel op je.’
‘Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat er altijd een paar mensen zijn die door hun strakke planning de boel ophouden waardoor wij te laat komen.’
De rij auto’s naast ons komt in beweging. In de achteruitkijkspiegel zie ik het fietsersduo tussen de auto’s door slalommen.
‘We made it!‘ roept de man opgewekt als hij voorbij fietst.
Ik steek een duim op.
De auto’s voor ons komen in beweging.
Ongeduldig kijk ik hoe de fietsen met dezelfde efficiëntie terug op de drager worden gezet. Voor hij instapt, trekt hij alle riempjes nog één keer na.
Hij start de auto, geeft veel gas, laat te snel de koppeling opkomen – de motor slaat af en de wagen komt schokkend tot stilstand. Hij probeert het opnieuw. Meer gas, nog wat gehaper, en dan rijdt hij hortend en stotend richting de boot.

Plaats een reactie