Auteur: Nedernoor

  • Muizenjaar

    We zaten aan het ontbijt en mijn vrouw las de zaterdagkrant.

    ‘Dit jaar is een muizenjaar,’ las ze hardop en ze nam een slok koffie.

    ‘Ook dat nog,’ mopperde ik. Ik zag de bui al hangen. Het was eind augustus en dat betekende dat de oogst van het land ging en de muizen naar binnen trokken. We wonen in een oud huis op het platteland, omringd door bos en korenvelden. Ieder jaar hoor ik in de herfst ’s nachts geknaag en geritsel op zolder. Ergens vond ik het zielig voor de kleine beestjes om ze te vangen, maar ze nemen je huis over als je er niets aan doet.

    ‘Dan moet ik meteen een paar muizenvallen zetten,’ zuchtte ik. Ik nam de laatste hap van mijn muesli met noten en rozijnen en sloeg met mijn vuist op tafel. ‘Dit jaar zullen we zien wie hier de baas is. De jacht is geopend!’

    De afgelopen jaren waren de muizen me steeds vaker te slim af. Ze wisten de kaas van de muizenval te eten zonder dat die afging. Zelfs wanneer ik de val helemaal op scherp zette en hij bij de minste of geringste beweging af zou gaan, was de volgende ochtend de kaas weg.

    ‘Je laat je de kaas toch niet van je brood eten door een paar kleine muisjes?’ zei mijn vrouw zonder van haar krant op te kijken.

    ‘Dit jaar ga ik het systematisch aanpakken,’ zei ik strijdlustig. ‘Te beginnen met een nieuwe muizenval, dan kan het daar niet aan liggen.’

    Die avond liep ik gewapend met een Goldline Trap 3000, een schroevendraaier en een stukje kaas naar de zolder. Ik kneedde een stukje Jarlsberg en bevestigde het nauwkeurig aan het weerhaakje. Ik trok de veer naar achteren en plaatste het stangetje in het gaatje van het opstaande lipje. De val stond op scherp. Een neerdwarrelend stofdeeltje zou al genoeg zijn om hem af te doen laten gaan.

    Knappe muis die het lukt de kaas hier vanaf te eten.

    Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Ik hoorde geritsel op zolder en ik wachtte op de ‘klik’ van de muizenval, maar die kwam niet. De volgende ochtend stommelde ik nog voor het ontbijt de zoldertrap op. Het resultaat: muizenval op scherp, kaas weg.

    Het was 1-0.

    ‘Misschien moet je iets anders dan kaas proberen, muizen eten alles,’ zei mijn vrouw toen ik weer beneden in de keuken was.

    ‘Alles?’

    ‘Alles.’

    Zij weet die dingen.

    Ik opende de koelkast en bekeek de inhoud.

    ‘Salami?’

    ‘Waarom niet?’

    Ik dacht een moment na. Verplaatste me in de muis. Om een muis te begrijpen, moet je even muis zijn; de wereld door hun ogen zien.

    ‘Natuurlijk! Daar hebben ze meer werk mee. En ze kunnen er niet aan knabbelen, vet en glibberig, ze moeten er wat aan trekken en lurken en dan… tsjak!’

    De volgende ochtend was het plakje Italiaanse kwaliteitssalami verdwenen. 2-0.

    ‘Ik sta hier gewoon de muizen te voeren!’ foeterde ik aan het ontbijt. ‘Zal ik er nog wat stokbrood en crackers voor ze bij doen?’

    Nu was het menens. Ik begon aan mezelf te twijfelen. De hele week was ik al lichtgeraakt geweest door slaapgebrek. Moest ik hulp inroepen? Mijn vader bellen om te vragen hoe je een muizenval moest zetten? Dat was me de eer te na.

    ‘Misschien moet je gewoon toegeven dat ze je te slim af zijn,’ gooide mijn vrouw nog wat olie op het vuur. ‘Mijn vader gebruikte trouwens vaak pindakaas als lokaas.’

    Ik haalde mijn schouders op en knikte. ‘Het is het proberen waard.’

    Die nacht hoorde ik rond een uur of drie een scherpe ‘klik’, gevolgd door een schrapend geluid dat zich van links naar rechts over de zoldervloer leek te verplaatsen.

    Ik zat meteen rechtop in bed. Ik schudde mijn vrouw voorzichtig wakker en fluisterde: ‘Volgens mij heb ik er eentje.’

    Nog slaapdronken strompelde ik in mijn pyjama de zoldertrap op. Rillend van de kou opende ik het zolderluik en knipte het licht aan. Verbaasd keek ik naar de lege plek naast de schoorsteen, waar ik de val had neergezet. Ik wreef in mijn ogen.

    Geen pindakaas, geen muis, geen val.

    Woedend stormde ik terug naar de slaapkamer en pakte een zaklamp uit de ladenkast.

    ‘Wat gebeurt er allemaal?’ vroeg mijn vrouw slaperig.

    ‘Het moet niet veel gekker worden, nu zijn ze er verdomme met de hele muizenval vandoor gegaan.’

    Ik begon elke vierkante centimeter van de zoldervloer af te speuren, totdat ik tussen twee balken tussen de isolatie een klein houten plankje zag liggen. Toen ik naar voren boog en het op wilde pakken, hoorde ik geritsel en verschoof het plotseling een paar centimeter. Het plankje bewoog! Geschrokken trok ik mijn hand terug.

    Toen ik was bijgekomen van de schrik, draaide ik het plankje om. Het was de muizenval. Een veldmuisje zat met het puntje van zijn staart tussen de klem en het plankje. Hij keek me schichtig aan en probeerde zich weer uit de voeten te maken. De val was afgegaan, maar de muis had zich razendsnel omgedraaid en was er met val en al vandoor gegaan. Dat was het schrapende geluid dat ik gehoord had.

    Het beestje was verder ongedeerd. Ik besloot hem nog een kans te geven en hem in de tuin vrij te laten. Toen ik de veer optilde schoot hij de bosjes in. Het was 3-0. De muis zou vast met een grote boog direct weer naar binnen lopen. Ik begon de moed te verliezen.

    De dagen daarna probeerde ik het nog twee keer met gewone kaas, maar het resultaat bleef hetzelfde: lege val, geen muis.

    Een week later zat ik verslagen aan het ontbijt en staarde in mijn kom muesli toen ik me plotseling iets herinnerde. Had ik niet ergens gelezen dat een rozijn als lokaas wordt gebruikt? Met mijn lepel viste ik er eentje op. ‘Kleverig van binnen, hard van buiten. Daar hebben ze wel even werk mee. Dat is het. Het moet lukken!’

    De volgende dag stond ik om vijf uur al op zolder. Op de val lag een muis, met een metalen klem in zijn nek. Hij had de rozijn nog tussen zijn voorpootjes en deukje in zijn staart.

    Heel even dacht ik dat hij bewoog. Ik duwde met de schroevendraaier tegen het plankje. Geen reactie.

    ‘Yes!’ durfde ik toen pas hardop te roepen. Het was 3-1. En het jachtseizoen nog maar net geopend.

  • Koude Avonden #1 – ijsletters

    Na een bitterkoude februarinacht moest ik mijn schoenen loswrikken van de gangvloer. Het woord Mustang bleef in een glanzend reliëf achter op de tegel – een ijssculptuur, in stilte gebeeldhouwd door de nacht.

  • Goedgelovig Stel

    Afgelopen zomer gingen mijn vrouw en ik een weekendje weg. We hadden een luxe kamer geboekt in een rustiek strandhotel ergens aan de westkust van Zweden. Een kamer met uitzicht op zee.

    We klagen niet snel als er iets niet in orde is. We vinden het vaak wel best. Wanneer bijvoorbeeld de beschikbare kamer iets kleiner is uitgevallen, of als er geen tweepersoonsbed maar twee enkele bedden staan. Maar ik vond de hoteleigenaar in dit geval net iets te opdringerig. Hij probeerde ons een andere kamer aan te smeren met goedkope trucs van een tweedehands autoverkoper.

    De naam en locatie van het hotel houd ik liever voor me. Van een afstandje zag het er prachtig uit. Zon, zee en strand. Het witgeschilderde hotel torende majestueus uit boven de roestbruine rotsen. Van dichtbij bleek er veel achterstallig onderhoud te zijn. Het rottende hout van de raamkozijnen was bedekt met een dikke laag verf die op verschillende plekken alweer begon af te bladderen. Uiteindelijk is alles goed gekomen, maar het geheel maakte een nogal Fawlty Towers-achtige indruk.

    ‘Ik heb een kamer geboekt,’ zei ik toen we met onze koffers de receptie binnen stapten.

    De man achter de balie tuurde naar zijn beeldscherm. Het was ongetwijfeld de eigenaar zelf. Hij was lang en dun en maakte een gestreste indruk. Hij kamde voortdurend met zijn vingers zijn haar achterover en het zou me niet verbazen als hij Basil heette.

    ‘We zitten helemaal vol, maar ik zal kijken wat ik voor jullie kan doen.’

    ‘Dan is het maar goed dat we een half jaar geleden al een kamer geboekt hebben,’ antwoordde ik.

    ‘Met uitzicht op zee,’ voegde mijn vrouw er aan toe.

    Basil scrolde onafgebroken met het muiswieltje naar boven en beneden. Plotseling sprong hij op. ‘Jullie hebben geluk, we hebben nog een speciale kamer vrij.’

    ‘Speciale kamer?’

    ‘Het torentje. Iets heel bijzonders. Met een schilderachtig uitzicht. Echt iets voor jullie.’

    Basil rommelde wat in een la en haalde een sleutel met een rood plastic label tevoorschijn.

    Hij ging naast ons staan en liet op zijn telefoon een olieverfschilderij van een vrouw in een rode jurk zien. Ze stond in een kamer voor het raam, met prachtig uitzicht op de rotsen en de bruisende zee.

    ‘In 1920 in het torentje geschilderd. De originele ramen zitten er nog in.’

    Ik wilde zeggen dat het er dan wel behoorlijk koud zou zijn in die kamer, maar ik hield me in.

    Daarna liet hij een paar luchtfoto’s zien waarop de gebouwen van het
    hotel stonden afgebeeld. Het torentje was duidelijk zichtbaar. ‘Is het niet prachtig?’

    Hij kamde weer met zijn vingers door zijn haar. ‘Ik moet er voor de verzekering bij vertellen dat er in geval van nood een vluchtweg over het dak is, naar een ladder aan de zijkant van het hotel. Het is maar een klein stukje, maar dat lijkt me voor twee sportieve mensen zoals jullie geen probleem.’

    ‘We willen de kamer die we geboekt hebben,’ zei mijn vrouw.

    ‘Ik kan u verzekeren: de standaard is net als de andere kamers. Met badkamer en alles er op en er aan. ‘ Er klonk een lichte irritatie in zijn stem.

    ‘Mogen we de kamer dan eerst even zien?’ vroeg ik.

    ‘Vanzelfsprekend.’

    Hij gaf me de sleutel.

    We liepen naar het hoofdgebouw en beklommen drie trappen. Op de bovenste verdieping konden we de deur naar het torentje niet vinden. Na een korte zoektocht door de gangen kwam ik tot de conclusie dat de lage witte deur zonder nummer – waarvan ik aanvankelijk dacht dat het de bezemkast moest zijn – naar het torentje moest leiden.

    ‘Hier kan het toch niet zijn?’ vroeg mijn vrouw bezorgd.

    Ik probeerde de sleutel. ‘Hij past,’ zei ik licht verbaasd.

    Ik duwde de deur langzaam open. Een steile trap leidde naar een tweede deur van waaronder een streep daglicht scheen. Het deed me denken aan een scene uit een horrorfilm.

    ‘Jij eerst,’ zei mijn vrouw en ze gaf me een klein duwtje.

    Met lichte tegenzin liep ik naar boven.

    ‘Je moet inderdaad goed ter been zijn,’ fluisterde ik over mijn schouder toen we halverwege waren. Ik weet niet waarom ik opeens begon te fluisteren.

    De tweede deur ging piepend open. De kamer zag er precies zo uit als op het schilderij uit 1920.

    De ramen begonnen op kniehoogte en liepen omhoog tot aan het plafond. Ze waren van enkel glas, sommige ruitjes waren gebarsten en ook hier was de stopverf overal afgebrokkeld. Rond de hele omtrek van de kamer hingen gele gordijnen met een fleurig bloemenmotief.

    ‘Met de gordijnen open ziet de hele buurt je staan,’ zei mijn vrouw. ‘Alsof je bovenin een vuurtoren zit.’

    ‘Als je het mij vraagt, is deze kamer in geen weken gebruikt. Misschien de hele zomer nog niet.’

    De badkamer was niet meer dan een afgetimmerd hok in de hoek van het torentje.

    We hadden genoeg gezien.

    Onderweg terug naar de receptie bedacht ik wat tegen de eigenaar zou zeggen. Hoe durfde hij in hemelsnaam te beweren dat de kamer dezelfde standaard had als de andere kamers op de website? En hoe had hij het lef de schamele douchegelegenheid een badkamer noemen?

    Ik legde de sleutel voor hem op de receptiebalie en zei niets.

    We begrepen elkaar.

    Hij tuurde naar zijn scherm. ‘Ik heb een afzegging. Kamer 10 is beschikbaar. Jullie willen de kamer eerst even zien, neem ik aan?’

    Toen we na het bezichtigen van kamer 10 de receptie binnenstapten, betrapten we de hotelier met zijn telefoon in zijn hand naast een ander stel. Op het scherm stond een afbeelding: het schilderij van de vrouw in een rode jurk.

    Later die avond, toen we na het eten in het restaurant over de parkeerplaats naar onze kamer liepen, begon het al te schemeren. Ik keek omhoog en zag licht branden in het torentje. Op de gordijnen bewogen de silhouetten van een nieuw goedgelovig stel.

  • Eden

    Eden

    Eindelijk gevonden,
    Geen paradijselijke tuin,
    Gewoon een oude schuur, ergens in Noorwegen, naast een bejaardentehuis.

  • We Made It

    We Made It

    We zijn met de auto onderweg naar Nederland en staan geparkeerd op de kade in de haven van Oslo. Voor ons ligt de Color Magic, ’s werelds grootste cruiseschip met parkeerdek, die om 14:00 koers zal zetten naar Kiel. In de verte klinken de geluiden van de stad en overal krijsen er meeuwen.

    Zoals gewoonlijk zijn we ruim op tijd. Het duurt nog twee uur voordat we de boot op mogen rijden. Mijn vrouw zit naast me te lezen; ik besluit de tijd te besteden aan mijn favoriete bezigheid: mensen kijken en raden waar ze vandaan komen. Het is warm, de zon staat hoog aan de hemel en ik verheug me op een ijskoud biertje op het zonnedek.

    Naast onze auto staat een verliefd stel al minutenlang te zoenen. Hij heeft zijn handen op haar heupen, haar armen bungelen losjes over zijn schouders. ‘Vast Duitsers,” zeg ik tegen mijn vrouw, “die zijn altijd vrijer in hun liefdesuitingen.” Ze kijkt niet op van haar boek en reageert niet.

    Voor ons staat een kleine Toyota met een Nederlands kenteken en een fietsendrager achterop. Een man en een vrouw stappen synchroon uit en lopen naar hun fietsen. Ze gaan toch nu niet een stuk fietsen?

    Ze ogen allesbehalve als typische vakantiegangers. De man draagt een grijze pantalon, witte blouse en bruine lakschoenen. Ook zij is gekleed alsof ze naar een galadiner gaat.

    Wat volgt is een staaltje van perfect teamwork. Clipjes en riempjes worden routineus losgemaakt. Alleen de mouw van haar blouse blijft een paar keer haken achter het stuur. Hij tilt de fietsen van de drager en zij haalt twee fietsaccu’s vanonder de voorstoelen vandaan en klikt ze vlot op de fietsen.

    De parkeerplaats raakt steeds voller. Wanneer ze opstappen roept de man naar me: ‘I hope we can get back to the car!’

    Ik lach hem vriendelijk toe en steek een duim op.

    Ze slingeren tussen de krap geparkeerde auto’s door, richting het centrum van Oslo.

    ‘Je zult zien dat ze niet op tijd terug zijn, en dan kunnen wij de boot niet op,’ mopper ik.

    De zon verdwijnt achter een wolk. Het koelt iets af. Op het achterdek van de boot wappert de Noorse vlag in een zachte bries. Boven, op het zonnedek zie ik de eerste reizigers met een drankje aan de reling staan.

    Schuin voor ons staat een groep oudere mannen onder de achterklep van een roestig Volkswagen-busje. Duitsers, zonder twijfel -op weg naar huis na een visvakantie. De geur van sigarettenrook dringt door het open raam de auto binnen. Een van hen houdt in zijn ene hand een sigaret en een blikje Bitburger en in de andere een telefoon. Hij draagt een zwart boeren petje en op zijn fleecetrui zijn Noorse vlaggetjes genaaid. Ik hoor flarden Duits.

    Een andere man snijdt een plastic zak open met daarin twee vacuümverpakte gehaktballen. Hij vouwt zorgvuldig een pakketje aluminiumfolie open: de broodjes. De gehaktballen gaan ertussen. Geen blaadje sla te bekennen. Ik krijg honger.

    Het wordt heet in de auto en ik besluit een ommetje te maken. De parkeerplaats is inmiddels volgelopen. De eerste vrachtwagens rijden de boot op. Ik loop terug naar de auto.

    De tortelduifjes zitten in hun auto. De Duitsers in hun busje. Alleen de Nederlanders met de fietsen zijn nog niet terug.

    ‘Zie je wel, te laat,’ zeg ik.

    Mijn vrouw klapt haar boek dicht. ‘Dat biertje wacht heus wel op je.’

    ‘Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat er altijd een paar mensen zijn die door hun strakke planning de boel ophouden waardoor wij te laat komen.’

    De rij auto’s naast ons komt in beweging. In de achteruitkijkspiegel zie ik het fietsersduo tussen de auto’s door slalommen.

    We made it!‘ roept de man opgewekt als hij voorbij fietst.

    Ik steek een duim op.

    De auto’s voor ons komen in beweging.

    Ongeduldig kijk ik hoe de fietsen met dezelfde efficiëntie terug op de drager worden gezet. Voor hij instapt, trekt hij alle riempjes nog één keer na.

    Hij start de auto, geeft veel gas, laat te snel de koppeling opkomen – de motor slaat af en de wagen komt schokkend tot stilstand. Hij probeert het opnieuw. Meer gas, nog wat gehaper, en dan rijdt hij hortend en stotend richting de boot.

  • De vele namen van onze hond Foppe

    Ik hoorde laatst een Noors gezegde dat luidt: ‘kjært barn har mange navn,’ wat je naar het Nederlands zou kunnen vertalen als ‘een bemind kind heeft vele namen.’ Ik moest denken aan onze hond Foppe, een Friese stabij, die twintig jaar geleden met ons is meeverhuisd naar Noorwegen.

    Familie en vrienden in Nederland noemden hem onder meer: Foppie, Foppen, Foppedop, Pollewop, Woppie, Polliewoppie, Ollebol, Oppedop, Poppie, Poppiedoppie, Pollie, Poppedop, Ploppedop, Doppie, Oppiedoppie, Poppedoppen, Ollie, Polliewollie, Ploppie, Plop, Pielepop, Pielepoppie en Olliebollie.

    Ik hoef er natuurlijk niet bij te vertellen hoe lief hij was!

  • Hello World!

    Welcome to WordPress! This is your first post. Edit or delete it to take the first step in your blogging journey.