Categorie: Reisverhalen

  • Goedgelovig Stel

    Afgelopen zomer gingen mijn vrouw en ik een weekendje weg. We hadden een luxe kamer geboekt in een rustiek strandhotel ergens aan de westkust van Zweden. Een kamer met uitzicht op zee.

    We klagen niet snel als er iets niet in orde is. We vinden het vaak wel best. Wanneer bijvoorbeeld de beschikbare kamer iets kleiner is uitgevallen, of als er geen tweepersoonsbed maar twee enkele bedden staan. Maar ik vond de hoteleigenaar in dit geval net iets te opdringerig. Hij probeerde ons een andere kamer aan te smeren met goedkope trucs van een tweedehands autoverkoper.

    De naam en locatie van het hotel houd ik liever voor me. Van een afstandje zag het er prachtig uit. Zon, zee en strand. Het witgeschilderde hotel torende majestueus uit boven de roestbruine rotsen. Van dichtbij bleek er veel achterstallig onderhoud te zijn. Het rottende hout van de raamkozijnen was bedekt met een dikke laag verf die op verschillende plekken alweer begon af te bladderen. Uiteindelijk is alles goed gekomen, maar het geheel maakte een nogal Fawlty Towers-achtige indruk.

    ‘Ik heb een kamer geboekt,’ zei ik toen we met onze koffers de receptie binnen stapten.

    De man achter de balie tuurde naar zijn beeldscherm. Het was ongetwijfeld de eigenaar zelf. Hij was lang en dun en maakte een gestreste indruk. Hij kamde voortdurend met zijn vingers zijn haar achterover en het zou me niet verbazen als hij Basil heette.

    ‘We zitten helemaal vol, maar ik zal kijken wat ik voor jullie kan doen.’

    ‘Dan is het maar goed dat we een half jaar geleden al een kamer geboekt hebben,’ antwoordde ik.

    ‘Met uitzicht op zee,’ voegde mijn vrouw er aan toe.

    Basil scrolde onafgebroken met het muiswieltje naar boven en beneden. Plotseling sprong hij op. ‘Jullie hebben geluk, we hebben nog een speciale kamer vrij.’

    ‘Speciale kamer?’

    ‘Het torentje. Iets heel bijzonders. Met een schilderachtig uitzicht. Echt iets voor jullie.’

    Basil rommelde wat in een la en haalde een sleutel met een rood plastic label tevoorschijn.

    Hij ging naast ons staan en liet op zijn telefoon een olieverfschilderij van een vrouw in een rode jurk zien. Ze stond in een kamer voor het raam, met prachtig uitzicht op de rotsen en de bruisende zee.

    ‘In 1920 in het torentje geschilderd. De originele ramen zitten er nog in.’

    Ik wilde zeggen dat het er dan wel behoorlijk koud zou zijn in die kamer, maar ik hield me in.

    Daarna liet hij een paar luchtfoto’s zien waarop de gebouwen van het
    hotel stonden afgebeeld. Het torentje was duidelijk zichtbaar. ‘Is het niet prachtig?’

    Hij kamde weer met zijn vingers door zijn haar. ‘Ik moet er voor de verzekering bij vertellen dat er in geval van nood een vluchtweg over het dak is, naar een ladder aan de zijkant van het hotel. Het is maar een klein stukje, maar dat lijkt me voor twee sportieve mensen zoals jullie geen probleem.’

    ‘We willen de kamer die we geboekt hebben,’ zei mijn vrouw.

    ‘Ik kan u verzekeren: de standaard is net als de andere kamers. Met badkamer en alles er op en er aan. ‘ Er klonk een lichte irritatie in zijn stem.

    ‘Mogen we de kamer dan eerst even zien?’ vroeg ik.

    ‘Vanzelfsprekend.’

    Hij gaf me de sleutel.

    We liepen naar het hoofdgebouw en beklommen drie trappen. Op de bovenste verdieping konden we de deur naar het torentje niet vinden. Na een korte zoektocht door de gangen kwam ik tot de conclusie dat de lage witte deur zonder nummer – waarvan ik aanvankelijk dacht dat het de bezemkast moest zijn – naar het torentje moest leiden.

    ‘Hier kan het toch niet zijn?’ vroeg mijn vrouw bezorgd.

    Ik probeerde de sleutel. ‘Hij past,’ zei ik licht verbaasd.

    Ik duwde de deur langzaam open. Een steile trap leidde naar een tweede deur van waaronder een streep daglicht scheen. Het deed me denken aan een scene uit een horrorfilm.

    ‘Jij eerst,’ zei mijn vrouw en ze gaf me een klein duwtje.

    Met lichte tegenzin liep ik naar boven.

    ‘Je moet inderdaad goed ter been zijn,’ fluisterde ik over mijn schouder toen we halverwege waren. Ik weet niet waarom ik opeens begon te fluisteren.

    De tweede deur ging piepend open. De kamer zag er precies zo uit als op het schilderij uit 1920.

    De ramen begonnen op kniehoogte en liepen omhoog tot aan het plafond. Ze waren van enkel glas, sommige ruitjes waren gebarsten en ook hier was de stopverf overal afgebrokkeld. Rond de hele omtrek van de kamer hingen gele gordijnen met een fleurig bloemenmotief.

    ‘Met de gordijnen open ziet de hele buurt je staan,’ zei mijn vrouw. ‘Alsof je bovenin een vuurtoren zit.’

    ‘Als je het mij vraagt, is deze kamer in geen weken gebruikt. Misschien de hele zomer nog niet.’

    De badkamer was niet meer dan een afgetimmerd hok in de hoek van het torentje.

    We hadden genoeg gezien.

    Onderweg terug naar de receptie bedacht ik wat tegen de eigenaar zou zeggen. Hoe durfde hij in hemelsnaam te beweren dat de kamer dezelfde standaard had als de andere kamers op de website? En hoe had hij het lef de schamele douchegelegenheid een badkamer noemen?

    Ik legde de sleutel voor hem op de receptiebalie en zei niets.

    We begrepen elkaar.

    Hij tuurde naar zijn scherm. ‘Ik heb een afzegging. Kamer 10 is beschikbaar. Jullie willen de kamer eerst even zien, neem ik aan?’

    Toen we na het bezichtigen van kamer 10 de receptie binnenstapten, betrapten we de hotelier met zijn telefoon in zijn hand naast een ander stel. Op het scherm stond een afbeelding: het schilderij van de vrouw in een rode jurk.

    Later die avond, toen we na het eten in het restaurant over de parkeerplaats naar onze kamer liepen, begon het al te schemeren. Ik keek omhoog en zag licht branden in het torentje. Op de gordijnen bewogen de silhouetten van een nieuw goedgelovig stel.

  • We Made It

    We Made It

    We zijn met de auto onderweg naar Nederland en staan geparkeerd op de kade in de haven van Oslo. Voor ons ligt de Color Magic, ’s werelds grootste cruiseschip met parkeerdek, die om 14:00 koers zal zetten naar Kiel. In de verte klinken de geluiden van de stad en overal krijsen er meeuwen.

    Zoals gewoonlijk zijn we ruim op tijd. Het duurt nog twee uur voordat we de boot op mogen rijden. Mijn vrouw zit naast me te lezen; ik besluit de tijd te besteden aan mijn favoriete bezigheid: mensen kijken en raden waar ze vandaan komen. Het is warm, de zon staat hoog aan de hemel en ik verheug me op een ijskoud biertje op het zonnedek.

    Naast onze auto staat een verliefd stel al minutenlang te zoenen. Hij heeft zijn handen op haar heupen, haar armen bungelen losjes over zijn schouders. ‘Vast Duitsers,” zeg ik tegen mijn vrouw, “die zijn altijd vrijer in hun liefdesuitingen.” Ze kijkt niet op van haar boek en reageert niet.

    Voor ons staat een kleine Toyota met een Nederlands kenteken en een fietsendrager achterop. Een man en een vrouw stappen synchroon uit en lopen naar hun fietsen. Ze gaan toch nu niet een stuk fietsen?

    Ze ogen allesbehalve als typische vakantiegangers. De man draagt een grijze pantalon, witte blouse en bruine lakschoenen. Ook zij is gekleed alsof ze naar een galadiner gaat.

    Wat volgt is een staaltje van perfect teamwork. Clipjes en riempjes worden routineus losgemaakt. Alleen de mouw van haar blouse blijft een paar keer haken achter het stuur. Hij tilt de fietsen van de drager en zij haalt twee fietsaccu’s vanonder de voorstoelen vandaan en klikt ze vlot op de fietsen.

    De parkeerplaats raakt steeds voller. Wanneer ze opstappen roept de man naar me: ‘I hope we can get back to the car!’

    Ik lach hem vriendelijk toe en steek een duim op.

    Ze slingeren tussen de krap geparkeerde auto’s door, richting het centrum van Oslo.

    ‘Je zult zien dat ze niet op tijd terug zijn, en dan kunnen wij de boot niet op,’ mopper ik.

    De zon verdwijnt achter een wolk. Het koelt iets af. Op het achterdek van de boot wappert de Noorse vlag in een zachte bries. Boven, op het zonnedek zie ik de eerste reizigers met een drankje aan de reling staan.

    Schuin voor ons staat een groep oudere mannen onder de achterklep van een roestig Volkswagen-busje. Duitsers, zonder twijfel -op weg naar huis na een visvakantie. De geur van sigarettenrook dringt door het open raam de auto binnen. Een van hen houdt in zijn ene hand een sigaret en een blikje Bitburger en in de andere een telefoon. Hij draagt een zwart boeren petje en op zijn fleecetrui zijn Noorse vlaggetjes genaaid. Ik hoor flarden Duits.

    Een andere man snijdt een plastic zak open met daarin twee vacuümverpakte gehaktballen. Hij vouwt zorgvuldig een pakketje aluminiumfolie open: de broodjes. De gehaktballen gaan ertussen. Geen blaadje sla te bekennen. Ik krijg honger.

    Het wordt heet in de auto en ik besluit een ommetje te maken. De parkeerplaats is inmiddels volgelopen. De eerste vrachtwagens rijden de boot op. Ik loop terug naar de auto.

    De tortelduifjes zitten in hun auto. De Duitsers in hun busje. Alleen de Nederlanders met de fietsen zijn nog niet terug.

    ‘Zie je wel, te laat,’ zeg ik.

    Mijn vrouw klapt haar boek dicht. ‘Dat biertje wacht heus wel op je.’

    ‘Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat er altijd een paar mensen zijn die door hun strakke planning de boel ophouden waardoor wij te laat komen.’

    De rij auto’s naast ons komt in beweging. In de achteruitkijkspiegel zie ik het fietsersduo tussen de auto’s door slalommen.

    We made it!‘ roept de man opgewekt als hij voorbij fietst.

    Ik steek een duim op.

    De auto’s voor ons komen in beweging.

    Ongeduldig kijk ik hoe de fietsen met dezelfde efficiëntie terug op de drager worden gezet. Voor hij instapt, trekt hij alle riempjes nog één keer na.

    Hij start de auto, geeft veel gas, laat te snel de koppeling opkomen – de motor slaat af en de wagen komt schokkend tot stilstand. Hij probeert het opnieuw. Meer gas, nog wat gehaper, en dan rijdt hij hortend en stotend richting de boot.